Geen geboden vóór de wetgeving op Sinaï?

In Genesis 2 wordt ons verhaald dat de zevende dag van de Scheppingsweek door God als rustdag werd gezegend en geheiligd. In het boek Genesis en ook in de eerste hoofdstukken van Exodus vinden wij vervolgens geen uitdrukkelijke vermelding dat de sabbat werd gehouden. Sommigen zijn daarom geneigd te beweren dat de sabbat alleen voor de Israëlieten en voor de latere Joden gold. Op de berg Sinaï immers werd Gods wet en dus ook het sabbatsgebod aan Israël bekend gemaakt. Maar kunnen we nu beweren dat de mensen die vóór de wetgeving op de Sinaï geleefd hebben, onbekend met Gods geboden zijn geweest? We moeten bedenken dat de bijbel ons geen uitvoerige verslaggeving doet van alle feiten en gebeurtenissen en van elk levensfacet. Het boek Genesis en de eerste hoofdstukken van Exodus bestrijken maar liefst een tijdsperiode van ongeveer 2500 jaren en het mag duidelijk zijn dat op het geringe aantal bladzijden van deze beide bijbelboeken, slechts enkele aangelegenheden uit die lange periode worden verhaald. Het is als met de voorvallen uit het leven van Jezus: “indien deze één voor één beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten.” Joh. 21:25. We behoren daarom uiterst voorzichtig te zijn met onze beweringen. Omdat het houden van de sabbat vanaf het begin niet zo uitdrukkelijk beschreven staat, wil dit nog niet zeggen dat men daarom onkundig van de sabbat en ook van andere geboden moet zijn geweest en dat er bijgevolg geen sprake kan zijn dat men op die dag zou hebben gerust, zoals sommigen beweren.

Niet onwetend
Verschillende uitspraken in de Schrift tonen duidelijk aan dat de mensen vanaf het begin, kennis van Gods geboden hebben gehad. Vóór de wetgeving op de berg Sinaï was er beslist geen wetteloze periode zonder maatstaf van goed en kwaad en van recht en gerechtigheid.
De Schrift zegt: “waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.” En we lezen ook: “…zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.” Rom. 4:15 en 5:13. Wanneer Gods wet, voorafgaand aan de wetgeving op Sinaï, op geen enkele wijze bekend zou zijn geweest, dan hebben de mensen, tijdens die periode van zo’n 2500 jaren, in onschuld geleefd en zijn zij niet te veroordelen. Maar is zoiets niet absoluut onvoorstelbaar? Roept dat niet tal van onverklaarbare vraagtekens op? Alleen al als we denken aan de zondvloed en aan de verwoesting van Sodom en Gomorra, waarbij zoveel mensen zijn omgekomen. Zijn deze mensen ten onrechte gestraft, omdat ze onkundig waren van Gods eisen en hun in feite niets kan worden aangerekend? Neen, de mensen moeten wel vanaf het begin kennis van goed en kwaad hebben gehad, absoluut! En wanneer we de Schrift lezen, blijkt dit ook duidelijk het geval te zijn geweest.

Kain en Abel
We lezen in Genesis 4, bijvoorbeeld, dat Kain en Abel na verloop van tijd elk een offer brachten. Hoe zijn ze er toe gekomen om dat te gaan doen? Hebben ze dat zelf zomaar bedacht? Maar waar staat beschreven dat ze offers moesten brengen? En wat moest er precies worden geofferd en op welke wijze en waarom? Kain offerde van de vruchten der aarde en Abel bracht een offer van de eerstelingen van zijn schapen. En dan lezen we dat God geen acht sloeg op Kain en zijn offer maar wel op Abel en zijn offer. Was God willekeurig of partijdig? Of was er een duidelijke reden voor Gods houding? We lezen dat Kain toornig werd. En God zegt dan tegen hem: “Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur…” vs. 7. Kijk, dat verklaart veel! De handelwijze van Kain was niet juist. Was het wegens onkunde? Dat kunnen we moeilijk volhouden. Kain moet wel hebben beseft wat ‘goed handelen’ zeggen wil, daar anders de woorden van God voor Kain onbegrijpelijk en niet zinvol moeten zijn geweest en dat kunnen we toch niet aannemen. Kain moet daarom wel hebben geweten wat ‘goed handelen’ precies betekent. Hoewel het niet uitdrukkelijk beschreven staat, moeten Kain en Abel wel op de hoogte zijn geweest aangaande het brengen van offers aan God en ze moeten daarbij ook op de hoogte zijn geweest van wat zonde is. God zei: “indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur.” Denkt u dat Kain zich in verwondering heeft afgevraagd: zonde… wat is dat precies? Kunt u het zich indenken dat God Kain in ongewisse raadselen heeft achtergelaten? Dat is toch werkelijk niet het beeld dat we ons van God kunnen voorstellen. Kain moet wel begrip hebben gehad van wat zonde is. Ook al staat het niet uitdrukkelijk beschreven, moet Kain toch wel geweten hebben dat zonde ongehoorzaamheid is aan wat God heeft geboden; of, zoals Paulus het zegt: “(de) wet doet zonde kennen” Rom. 3:20. We moeten wel, redelijkerwijs en onbevooroordeeld erkennen dat Kain niet onkundig was, maar op de hoogte moet zijn geweest van Gods eisen.

Noach
Maar, om nog een duidelijk voorbeeld te noemen, ook Noach moet toch wel geweten hebben wat God precies vraagt. Van hem wordt verhaald dat hij ‘een rechtvaardig en onberispelijk man’ is geweest en dat hij ‘met God wandelde’ Genesis 6:9. Hoe kan iemand ooit ‘rechtvaardig en onberispelijk’ worden genoemd, zonder dat er een maatstaf zou bestaan om dat te kunnen bepalen? Kan iemand wel ‘met God wandelen’ zonder iets van God af te weten en geen idee te hebben van wat Hij vraagt? Dat is toch een absolute onmogelijkheid? Maar de Schrift maakt ons ook duidelijk dat God Zijn Geest in de mens heeft gegeven en daarom kan hij niet onkundig zijn geweest, noch onschuldig. Echter, omdat de mensen zich maar tegen Gods Geest bleven verzetten en omdat zij zich, zoals we lezen, ‘misgaan hebben’ en ‘de boosheid des mensen groot was op de aarde’ heeft God Zijn Geest tenslotte weggenomen en vond, na verloop van maar liefst ‘honderd twintig jaar‘ van Goddelijk geduld, de zondvloed plaats. Genesis 6:3, 5.

Abraham
Als we het boek Genesis verder doorlezen, blijkt dat ook Abraham God getrouw heeft gediend. En God belooft Abraham en zijn nageslacht te zullen zegenen: “omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.” Genesis 26:5.
Om Gods geboden, inzettingen en wetten in acht te kunnen nemen, als de dienst van God, moet Abraham daarvan wel op de hoogte zijn geweest. Hoewel het niet uitdrukkelijk beschreven staat dat God aan Abraham geboden, inzettingen en wetten heeft gegeven, blijkt toch heel duidelijk dat Abraham Gods eisen heeft gekend en dat hij die gehoorzaam heeft gehouden. Hoewel de tien geboden nog niet op Sinaï gegeven waren, was men toch op de hoogte van Gods geboden, inzettingen en wetten. Diverse teksten uit het beknopte verslag van de lange periode vóór de wetgeving op Sinaï, getuigen duidelijk dat de principes van Gods geboden vanaf het begin bekend waren.

De tien geboden
Genesis 31:19, 32 en Genesis 35:2 gaan over de terafim en allerlei vreemde goden die op bevel van Jacob moesten worden weggedaan. We herkennen hierin duidelijk het eerste gebod: gij zult geen andere goden voor Gods aangezicht hebben en tevens daarbij ook het tweede gebod: gij zult u geen gesneden beelden maken. Van Genesis 21 bepalen de verzen 23 en 33 ons bij het derde gebod aangaande ijdel gebruik van de naam des Heren, wanneer men onder aanroeping van Gods naam bedrieglijk zou handelen of wanneer men Hem aanroept en een leefwijze zou volgen die in strijd zou zijn met Gods heilige wil. Het vierde gebod over de sabbat vinden wij duidelijk omschreven in Genesis 2:2, 3 waar de instelling van de sabbat staat vermeld. In Exodus 16:4, 21-29, is sprake van het manna dat elke dag, behalve op sabbat, als brood voor de Israëlieten uit de hemel regende en aan de hand waarvan zij werden getoetst of zij Gods geboden onderhielden. We lezen: “…opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet.” Vs. 4. We kunnen niet ontkennen dat Gods wet en de sabbat vóór de wetgeving op Sinaï, bij het volk bekend waren. Het is echter begrijpelijk dat door de onderdrukkende slavendienst in Egypte, de kennis van God en Zijn geboden, bij het volk Israël is vervaagd en we lezen dat God het volk ook te Mara op de proef heeft gesteld. Daar gaf Hij hun inzettingen en verordeningen, terwijl Hij hen aanspoorde de geboden en inzettingen te onderhouden en bij gehoorzaamheid een goede gezondheid beloofde. Genesis 15:25, 26.
Het vijfde gebod: eert uw vader en uw moeder, treffen wij aan in Genesis 9:20-27. Cham, de zoon van Noach, bleek, in tegenstelling tot zijn beide broers, Sem en Jafeth, weinig eerbied voor zijn vader te openbaren. Noach sprak een vervloeking uit en zegende Sem en Jafeth. Het zesde gebod: gij zult niet doden, vinden wij in Genesis 4:8-11, 23, 24 waar Kain wordt bestraft omdat hij Abel heeft gedood en waar sprake is van de moordlustige taal van Lamech. Het zevende gebod, over echtbreuk, komt tot uiting in Genesis 25:9-11. Abimelech spreekt over schuld, wanneer iemand de vrouw van Abraham zou nemen. En toen de vrouw van Potifar haar oog op Jozef had laten vallen en hem begeerde, weigerde Jozef en zei: “hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God?” Genesis 39:7-10. Jozef was beter op de hoogte van Gods geboden dan velen uit onze dagen, die er geen moeite mee hebben om af en toe vreemd te gaan. Het achtste gebod: gij zult niet stelen, wordt duidelijk openbaar in Genesis 30:33 en 31:19. Alleen het gespikkelde of gevlekte van de kudde geiten of zwart onder de schapen, was voor Jacob bestemd als loon. Zou Jacob ook van het overige van de kudde hebben genomen, waar hij dus geen recht op had, dan gold dat als gestolen. En van Rachel staat beschreven dat zij de terafim heeft gestolen, toen haar vader, Laban, afwezig was. Genesis 31:19. Het negende gebod: geen vals getuigenis te mogen geven, vinden wij bijvoorbeeld terug in Genesis 21:23 waar Abimelech aan Abraham vraagt onder ede te getuigen dat hij niet bedrieglijk met hem zal handelen. Het tiende gebod over het begeren van uws naasten huis of vrouw of iets anders wat uws naasten is, komen we tegen in Genesis 20:2-9, toen Sara, de vrouw van Abraham, begeerd werd en werd weggenomen. Omdat zij in werkelijkheid getrouwd was, gold dit als een grote zonde en er werd dan ook opdracht gegeven haar naar haar man Abraham terug te brengen.
Het valt niet te ontkennen dat er in de Schrift vóór de wetgeving op Sinai van elk gebod toepasselijke gedeelten zijn die duidelijk maken dat men op de hoogte was van Gods geboden. Gods wet der geboden werd plechtig en officieel, op ontzagwekkende grootheid, aan de kinderen Israëls gegeven, nadat zij als Gods uitverkoren volk; als een koninkrijk van priesters en als een heilig volk waren bevestigd en zij rondom de berg Horeb waren gelegerd. Exodus 19:5-8, 17-20; 20:1-21.