De grote verzoendag

Bij de feesten in Israël neemt de Grote Verzoendag wel een heel belangrijke plaats in. Elke dag werden er vanouds in Israël zondoffers gebracht voor de zonden van het volk en het bloed werd in de tempel of tabernakel gesprenkeld voor het voorhangsel van de tweede afdeling, het heilige der heiligen, waarin de ark van het verbond aanwezig was met onder het verzoendeksel de twee stenen tafelen van Gods wet der tien geboden.

De schuld van de zondaar, die Gods wet had overtreden, werd symbolisch overgebracht op het heiligdom en de zondaar was ervan bevrijd. Hij had zijn zonde beleden en het plaatsvervangend offerdier straf gedragen. Het schuldbeladen offerbloed werd door de dienstdoende priester in de tempel gebracht en voor het voorhangsel gesprenkeld. Daar stonden, als het ware, de sporen van de zonde met bloed opgetekend.
Door de zonden openlijk te erkennen en berouwvol te belijden, met de hand des geloofs op de kop van het offerdier, werd de schuld van de zondaar symbolisch overgedragen op het dier en met het offerbloed opgetekend in het heiligdom, voor het voorhangsel. En zo stonden de zonden van het volk als het ware met bloed getekend voor Gods aangezicht. Voor de mens onleesbaar, maar de Oneindige en Alwetende God des hemels wist precies wat al die afzonderlijk gesprenkelde druppeltjes bloed te zeggen hadden.

En aan het eind van het religieuze jaar werd in feite, om zo te zeggen, de balans opgemaakt. Op de Grote Verzoendag werd dan bekeken hoe de zaak er voor stond, voor een ieder persoonlijk en werd de tempel en het volk gereinigd van hun overtredingen.

Oordeelsdag
In het oude Israël gold die dag, de Grote Verzoendag, als een dag van oordeel. Deze dag werd voorafgegaan door een goede voorbereiding van nauwgezet zelfonderzoek en verootmoediging. Alles moest in orde worden gemaakt en onderling moest elk geschil worden bijgelegd. “Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.” Leviticus 23:29.
Negen dagen gingen aan de Grote Verzoendag vooraf (Rosh Ha Shana) en de tiende dag van de zevende maand vormde het hoogtepunt (Yom Kippur). Dit gebeuren werd ingeluid met hoorngeschal, de shofar.
De hoorn zou niet van een koe mogen zijn, wegens de zonde rond het gouden kalf bij de berg Sinaï. Bij voorkeur moest het een hoorn zijn van een ram, als herinnering aan het binden van Izaäk op het altaar, waarvoor op het laatste moment een ram uit het struikgewas plaatsvervangend werd geofferd.
De tien dagen stonden in het teken van het offer van de komende Messias. De gebogen shofar duidde op het buigen voor Gods wil en het blazen op de shofar werd in verband gezien met Gods geducht voornemen op de grote dag des HEREN. De boodschap van de shofar is volgens Joodse bronnen zeer betekenisvol. Wanneer het geluid van de shofar werd gehoord op de vroege morgen, dan betekende dat: “Ontwaakt uit uw sluimering gij die tijdens het leven in slaap zijt gesust en overdenk uw handelwijze. Denk aan uw Schepper. Wees niet gelijk hen die de realiteit uit het oog verliezen door het najagen van wind, door de levensjaren te verspillen, door het zoeken van ijdele dingen die geen profijt geven noch kunnen redden. Geef acht op uw zielen betert uw karakter. Laat varen een ieder van u zijn verkeerde wegen en gedachten.”

Boeken geopend
Dát was vanouds de boodschap van de shofar. Vóór het aanbreken van de Verzoendag moest men dááraan denken en zichzelf nauwgezet onderzoeken. Elke onenigheid moest worden bijgelegd want op de Verzoendag opent God het boek des levens, zoals de Joodse bronnen aangeven. Door het volk worden gebeden gesproken van boete en berouw. Smeekbeden werden opgezonden om in het boek des levens te mogen staan. Ook wordt melding gemaakt dat men elkaar als groet toewenste: “Moge uw naam geschreven staan in het boek des levens.” En ook: “Moge u waardig gekeurd worden voor een overvloed van jaren.

Joodse bronnen vertellen ons dat er verschillende boeken zijn: een boek voor de rechtvaardigen en ook een boek voor de goddelozen. Op de Grote Verzoendag – de jaarlijkse oordeelsdag – wordt een ieder onderworpen aan het onderzoekend oog van de Alwetende. Zij die rechtvaardig worden bevonden, staan in het boek des levens en zij die goddeloos en onboetvaardig zijn, staan opgetekend in het boek des doods.
Er is ook sprake van een gebruik dat tijdens de eerste dagen werd toegepast op grond van Micha 7:19, 20 over het wegdoen van de zonden in de diepten der zee. Tijdens de voorbereiding voor de Grote Verzoendag werd de hoop gekoesterd dat God de zonden van Zijn volk zou verwijderen. Men zocht een plaats op waar stromend water was: de zee, een rivier of een bron en men citeerde deze teksten als een bede tot God om deze belofte waar te maken, door alle zonden weg te nemen en te werpen in de diepten der zee.
De Grote Verzoendag wordt in Joodse bronnen beschreven als een dag waarop God gezeten is op Zijn troon om de wereld te oordelen. Het gedenkboek waarin de kenmerken van ieder mens worden gevonden wordt dan geopend en onderzocht. De bazuin wordt geblazen en een plechtige stem wordt vernomen. Engelen huiveren en zeggen: Dit is de dag des oordeels…
Door het jaarlijkse ritueel op de Grote Verzoendag werd, door het bloed van de bok, die door het lot voor de HERE was aangewezen, de tempel gereinigd van de zonden van het volk. De dienstdoende hogepriester zal het heilige der heiligen binnengaan en “…het [bloed] op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden… Dan zal hij daarop met zijn vinger zeven maal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten… Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des HEREN. Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen…” Leviticus 16:15, 16, 19, 30, 31. De apostel Paulus schrijft over dit jaarlijkse ritueel op de Grote Verzoendag: “Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht…” Hebreeën 10:3. De tempel en het volk werden dan gereinigd van zonde.

Afbeelding van de ware tabernakel
De aardse tabernakel was een afbeelding en schaduw van de ware, hemelse tabernakel, die de Here opgericht heeft en geen mens. “Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereed maken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg.” Hebreeën 8:5.
Mozes kreeg in feite de opdracht om het zo nauwkeurig mogelijk na te bootsen als aardse materialen en menselijke vermogens mogelijk zouden maken. Ook in latere tijden waren de details en rituelen van het aardse heiligdom bedoeld om Gods heilsplan beter te begrijpen, terwijl de betekenis ervan ook wees op wat er uiteindelijk zou plaatsvinden in de ware, hemelse tabernakel.

Zo was de reiniging van de aardse tabernakel op de Grote verzoendag, met het bloed van het offerdier, een afschaduwing van wat er eens in de hemelse tabernakel zou plaatsvinden. We lezen: “En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen… gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat… is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen.” Hebreeën 9:22-26.

Deze teksten geven duidelijk aan dat Christus, gelijk de hogepriester jaarlijks in de aardse tempel ging om het heiligdom met bloed te reinigen, éénmaal in de ware tabernakel is ingegaan, bij de voleinding der eeuwen, om door Zijn eigen offerbloed de ware, hemelse tempel te reiniging en de zonde van Zijn volk weg te nemen.
Voor de reiniging van de aardse tempel had God bepaald dat dit plaats zou vinden op de tiende dag van de zevende maand, de Joodse maand Tishri. “…in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen… Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des HEREN.” Leviticus 16:29, 30.

De hemelse Verzoendag
De Bijbel zegt: “Voorzeker, de Here HERE doet geen ding , of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten de profeten.” Amos 3:7.
God heeft de komst van Zijn Zoon bekend gemaakt en de tijd van Zijn lijden en sterven geopenbaard. Zou God dan ook niet de tijd van de hemelse Verzoendag openbaren, waarbij alle mensen betrokken zijn?

En zo heeft God niet alleen voor de reiniging van de aardse tempel een speciale dag vastgesteld; ook voor de reiniging van de ware, hemelse tempel heeft God het moment vastgelegd, en wel op een tijdstip ‘bij de voleinding der eeuwen.’

Het was de profeet Daniël aan wie God in een gezicht het tijdstip heeft geopenbaard aangaande deze belangrijke gebeurtenis in Gods verlossingsplan. We lezen: “En hij gaf hem ten antwoord: Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom worden gereinigd.” Daniël 8:14. Canisius vertaling. Het gebruikte Hebreeuwse woord “tsadaq” betekent “reinigen,” maar kan ook wel worden weergegeven met “herstellen” of “rechtvaardigen.” De periode aan Daniël geopenbaard, lag voor hem ver in de toekomst.
De engel Gabriël sprak: “Versta, mensenkind, dat het gezicht doelt op de tijd van het einde… Zie, ik maak u bekend wat geschieden zal in het laatst van de gramschap; want het doelt op het tijdstip van het einde… En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet op een verre toekomst.” Daniël 8:17, 19, 26. We lezen ook, met betrekking tot de tijd van het einde, de speciale oproep van een engel: “Vreest God en geeft Hem eer, want het uur van zijn oordeel is gekomen…” Openbaring 14:7.

We hebben dus duidelijke aanwijzingen dat het gezicht van de reiniging van het heiligdom wijst op een moment bij de voleinding der eeuwen; het doelt op de tijd van het einde en ziet op een verre toekomst. Maar hoe moeten we die periode van 2300 dagen plaatsen in de geschiedenis? We lezen dat Daniël het gezicht trachtte te verstaan, maar we lezen ook dat Daniël uitgeput was en enige dagen ziek. Blijkbaar maakte dat wat hem werd geopenbaard een overweldigende indruk op hem die hij niet aankon, maar hij bleef zich er wel mee bezig houden. Hij ging in gebed en raadpleegde de boeken over het getal der jaren, voorspeld door de profeet Jeremia.
Daniël beleed zijn zonden en die van het volk en terwijl hij nog bad, kwam de engel Gabriël terug die hij in het gezicht gezien had en sprak tot Daniël: “…nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven.” Daniël 9:22.
De engel noemt als onderverdeling van de 2300 dagen, een periode van 70 weken, die van de 2300 dagen is afgesneden. Het gebruikte Hebreeuwse woord “chathak” heeft de betekenis van afsnijden. De 70 weken gelden voor het volk Israël en de heilige stad en vervolgens geeft de engel het startpunt van de profetische periode: “Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen…” Daniël 9:25.
De profetische periode moet dus gerekend worden vanaf het ogenblik dat toestemming gegeven werd om Jeruzalem weer op te bouwen. De geschiedenis geeft aan dat dit woord is uitgegaan in het jaar 457 voor Christus, toen koning Arthasasta in zijn zevende regeringsjaar officieel verlof gaf aan de Joodse ballingen om terug te keren naar hun vaderland om de verwoeste stad Jeruzalem weer op te bouwen. Nu geldt in symbolische en profetische zin een dag voor een jaar. De Bijbel geeft ons daar een paar voorbeelden van. We lezen: “…voor elk jaar leg ik u een dag op.” Ezechiël 4:6. Ook lezen we: “Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar…” Numeri 14:34.

De periode van 2300 avonden en morgens, of 2300 dagen, is dus in werkelijkheid een periode van 2300 jaren en de 70 weken, of 490 dagen, vormen dan een periode van 490 jaren, die, vanaf het jaar 457 voor Christus, reiken tot op “een gezalfde, een vorst” en in de profetie worden onderverdeeld in “zeven weken; en twee en zestig weken…” Daniël 9:25. Van de 70 weken, of 490 jaren blijft er dan nog een week van 7 jaren over en de engel Gabriël verklaart: “En na de twee en zestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is…” Daniël 9:26. Dit is duidelijk een verwijzing naar de Messias, de Gezalfde Vorst, die door Zijn volk werd verworpen en gedood.


De 2300 jaren vormen een tijdperk waarin grote gebeurtenissen van Gods verlossingsplan plaats hebben genomen. Vanaf het jaar 457 worden eerst 7 weken of 49 jaren gerekend, voor de wederopbouw van Jeruzalem. Deze 7 weken maken deel uit van de 69 weken, die tot op de Gezalfde Vorst reiken tot het jaar 27, toen Christus werd gedoopt en gezalfd met de Heilige Geest. Mattheüs 3:13-17. Handelingen 10:38. Daarna zal Hij worden “uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is..” Op de helft van de laatste week werd Christus gekruisigd, waardoor Hij “slachtoffer en spijsoffer” deed ophouden. Daniël 9:27.
Drie en een half jaar na de dood van Christus, brengen ons tot het jaar 34, het eind van de 70 weken, die voor het volk Israël en de heilige stad waren bestemd en van de 2300 jaren waren afgesneden. In het jaar 34 brak vervolging los en werd Stefanus gestenigd en het evangelie werd aan de heidenen gebracht. Handelingen 13:46.

Deze periode kenmerkt belangrijke stappen in het dienstwerk van Christus. De tijd van Zijn komst en optreden als de beloofde Messias; Zijn doop en zalving met Gods Geest; Zijn verzoenend sterven, waardoor de aardse tempeldienst werd vervuld; en de verkondiging van het heil aan de heidenen.
En als climax de reiniging van de hemelse tempel en Gods gemeente in 1844 door Zijn Hogepriesterlijk Middelaarswerk op de hemelse Grote Verzoendag in het hemels heiligdom, waar de Vierschaar zich heeft nedergezet en de boeken werden geopend. Alles wordt te boek gesteld. Psalm 56:9; Maleachi 3:16; Nehemia 13:14; Jesaja 65:6, 7. De boeken worden geopend en woorden en daden geoordeeld. Daniël 7:9, 10; Openbaring 20:12; Prediker 12:14; Mattheüs 12:36, 37; 1 Corinthiërs 4:5. Men moet waardig worden gekeurd. Lucas 20:35; Openbaring 3:4. Vóór Christus gezonden wordt, breekt er verademing aan; beleden zonden worden uitgedelgd. De Geest van gericht en van uitdelging spoelt ze weg en ze zijn niet meer te vinden. Handelingen 3:19, 20; Jesaja 4:2-4; Jeremia 50:20. Dit werk moet worden gedaan voordat Christus terugkomt om Zijn volk te verlossen, want wanneer Hij terugkeert, heeft Hij Zijn loon bij Zich “om een ieder te vergelden, naar dat Zijn werk is.” Openbaring 22:12.

Mogen wij in Christus geloven en trouw zijn aan God om beloond te kunnen worden.